GESCHIEDENIS VAN DE BASILIEK

O.L.Vrouwe kapel

 

In de Reformatie   

Opbouw en herstel
neogotiek              

Grote restauratie 

(1393-1454)

(1580-1807)

(1809-1866)

(1866-1975)

(1976-1981)

 

Wapen van de basiliek

Middeleeuws Mariabeeld

 

 

 

 

 

 

 Geschiedenis van de basiliek in vogelvlucht

De kerk is een laatgotische eenbeukige kruiskerk, geheel in steen opgetrokken.

Het koor werd opgetrokken in de periode 1394-1399. Reeds in 1398 werd er een Anthoniusaltaar geplaatst en in 1399 ingezegend. Tot 1417 werd de kapel uitgebreid met transeptarmen en één travee van het schip. Na een onderbreking van enkele tientallen jaren werd het schip afgebouwd in 1454 en kreeg de kerk een orgel.
Aan de toren, die aanvankelijk niet gepland was, werd begonnen in 1463. De eerste drie segmenten werden in 1484 gereed en er kwamen 6 luidklokken in de toren te hangen.
De toren staat bekend als de "
Peperbus". Sinds de Grote of St-Michaëlskerk zijn toren kwijt is, is de Peperbus het beeldbepalende element van de Zwolse binnenstad.

 Toren
De toren heeft verschillende bekroningen gehad. De huidige achtkantige lantaarn stamt uit 1828, nadat de torenbrand van 1815 de vorige uivormige bekroning verwoest had.

Het huidige carillon in de toren werd op 11 januari 1930 in gebruik genomen. Het is gemaakt door John Taylor & Co uit Leighborough, Engeland.

Als gevolg van de Reformatie raakte de kerk buiten liturgisch gebruik van 1580 tot 1809. Bij een bezoek aan Zwolle in 1809 gaf koning Lodewijk Napoleon de kerk aan de katholieken terug. Intussen was het gebouw voor allerlei doeleinden gebruikt; van orgelmakerij voor de Gebr. Schnitger, die er tussen 1718 en 1721 het grote orgel voor de St. Michaëlskerk vervaardigden, tot opvang ten tijde van watersnood. Ook werd er door soldaten geëxerceerd en later hield pikeur Schutte er een manege.

De opbouw en herstel
gingen van start. In 1811 werd de kerk weer in gebruik genomen na een provisorische opknapbeurt. Eerst in 1871 werd de kerk uitgebreid onder pastoor O.A.Spitzen met zijbeuken en een neogotisch interieur aangebracht.

Honderd jaar na de volledige verbouwing en vernieuwing van het interieur was het noodzakelijk de kerk grondig te restaureren. De oude zijbeuken werden er weer afgehaald. De kerk moest teruggebracht worden naar de oorspronkelijke middeleeuwse toestand. Het neogotische interieur heeft ze toch kunnen behouden. In 1981 werd de kerk weer in gebruik genomen. Als laatste werd het orgel opgeknapt.

Het hoofdorgel werd gebouwd door Michaël Maarschalkerweerd in 1896 in een kas van een orgel vervaardigd voor een orgel van Nicolaus Brunswick uit 1697. Dit orgel was in 1813 aangekocht uit de Observantekirche te Münster. Na diverse wijzigingen werd het uiteindelijk vervangen.
Het orgel bezit 38 registers verdeeld over drie manualen en pedaal.
Tevens bezit de kerk een
koororgel, vervaardigd in 1986 door de fa. Kaat en Tijhuis uit Kampen.

De k erk heeft in de nis boven de hoofdingang een Mariabeeld geplaatst door de Zwolse beeldhouwer Tom Waterreus.   klik voor grote foto
  • Het koor van de kerk: de "Onser Liver Vrowen Sengers" is opgericht op 2 januari 1498 en vierde daarom in 1998 haar 500-jarig bestaan. Onder de titel “Ave praeclara” vond in 1998 een tentoonstelling plaats in het “Stedelijk Museum Zwolle”.

  • In 1999 vierde de kerk het 600 jarig bestaan. Hierbij werd op 19 oktober door Zijne Heiligheid Paus Johannes Paulus II de titel basilica minor” toegekend.
  • In de feestelijke viering van 26 november 1999 werd  het decreet getoond in aanwezigheid van Zijne Eminentie Johannes Kardinaal Willebrands.
  • In het voorjaar van 2000 zijn alle glas in loodramen van voorzetglas voorzien.
  • De basiliekeretekens, conopeum en tintinabulum, werden door Zijne Eminentie Adrianus Kardinaal Simonis, aartsbisschop van Utrecht gezegend op 3 november 2000.

De bouw van de Onze Lieve Vrouwekapel

In zijn testament van 13 augustus 1393 bepaald de Zwolse schepen Gerardus van Spoelde in zijn testament dat zijn huis gelegen ‘in de Voerstrate’ (Voorstraat) een kapel moet worden ter ere van God en de maagd Maria. Een kapelaan (vicarius) moet daarin iedere dag de mis opdragen voor het zielenheil van Gerardus en zijn ouders. Tot onderhoud van de priester verbonden aan deze kapel stelt hij acht morgen land gelegen in Mastenbroek ter beschikking. Na zijn dood verkopen schepenen en raad van Zwolle het huis van Gerardus, waartoe zij gerechtigd zijn volgens een bepaling in het testament. Van de opbrengst wordt de Hof van Zwolle gekocht van de proost van Deventer op de huidige plaats.

De kerk

In de Middeleeuwen telde Zwolle slechts één parochiekerk: de Sint Michaëlkerk. De Onze Lieve Vrouwekerk had slechts de status van kapel. De bouw van kerkgebouw volgens ontwerp van stadsmuurmeester Berend van Koblenz begint in 1394.

In 1399 is de bouw zover gevorderd dat het koorgedeelte van de kapel gereed is. Op 26 november 1399 wordt de kapel samen met het in 1398 gestichte Antoniusaltaar ingewijd. In het jaar voor de inwijding woedde er in Zwolle een pestepidemie. Wellicht is daarom het altaar aan de pestheilige Anthonius Abt toegewijd. Om de bouw van de kapel te financieren verleende paus Bonifatius IX aan de bezoekers van de kapel een aflaat.

Door de sterk opkomende Mariadevotie, mede bevorderd door de Moderne Devotie, nam het aantal kerkbezoekers aan de kapel toe. Onder de bezoekers bevond zich ook Thomas van Kempen (1379/1380-1471). Kort daarna trad hij als novice in het klooster op de Agnietenberg bij Zwolle.

De eerste bouwfase van de kapel wordt afgerond in 1417. Op dat moment is van de kapel het koor gereed, evenals de beide transepten en de meest oostelijke travee van het kerkschip. De bouw komt stil te liggen, omdat de bouwactiviteiten zich verplaatsen naar de parochiekerk. In de periode 1406-1454 vindt daar de ombouw plaats van de Romaanse kruisbasiliek uit de veertiende eeuw naar de gotische hallenkerk.

De tweede bouwfase van de Onze Lieve Vrouwekapel bestrijkt de periode 1452-1454. Dan wordt het kerkschip verlengd met vier extra traveeën. Dit schip wordt aan de westkant afgesloten met een muur en twee overhoeks geplaatste steunberen. Deze zijn buiten nog zichtbaar; zij zijn gedeeltelijk in het muurwerk van de toren opgenomen.

De reformatie en schuilkerkentijd

Vanaf 1580 voltrekt zich in Zwolle de reformatie. De gereformeerden hadden, nadat de uitoefening van de rooms-katholieke eredienst was verboden, een grote hoeveelheid kerken en kapellen ter beschikking gekregen. Daarom konden zij de Onze Lieve Vrouwekerk kort na de overneming wel missen. De kerk is nog in 1585 met subsidie van de magistraat hersteld en was nog gedurende elf jaar bij de katholieken in gebruik. Daarna moesten de katholieken uitwijken naar diverse schuilkerken verspreid over de Zwolse binnenstad. Deze situatie duurde tot aan de Franse Tijd. Echter van 1672-1674, toen Zwolle door Munsterse en Keulse troepen bezet was, is de Sint Michaëlkerk tijdelijk weer in handen van de katholieken geweest. De ‘gereformeerden’ gebruikten toen de Onze Lieve Vrouwekapel.

Zestiende eeuwse kopergravure. De stad gezien vanuit het Westen. Opmerkelijk is het torentje op de kruising van het dak van de Onze Lieve Vrouwekerk. De toren van de St. Michaëlskerk was tot 1669 de hoogste van de stad (115m.)

Toen de kerk definitief onttrokken werd aanzijn eigenlijke bestemming, is het gebouw voor allerhande doeleinden gebruikt. Zo hebben er koorddansers voorstellingen gegeven, is er kogelspel bedreven en werd er geschermd. In 1612 waren er poorten in het transept gemaakt en werden er in 1648 legervoertuigen gestald. In 1670 reed men met karossen de kerk in en uit. Zij deed dienst als pakhuis, onder meer voor hout. Evenals in 1584 was de kerk in 1786 een hooi- en stromagazijn; er zijn ‘haveloze’ goederen opgeslagen en arme gezinnen hebben er tijdelijk onderdak gehad. Er is garen getwijnd en van 1784 tot 1787 in de wapenhandel geoefend. Van 1719 tot 1721 werkten Franz Caspar en Johann Georg zonen van Arp Schnitger, er aan het orgel voor de Sint Michaëlskerk en in 1786 hadden twee timmerlieden er hun werkplaats ten behoeve van de bouw van het stadhuis in Genemuiden. Pikeur F.C. Schutte opende er in 1807 een rijschool. 

OPBOUW

In 1809 kregen de katholieken de kerk op bevel van Koning Lodewijk Napoleon terug. Op 24 augustus 1811 wordt er voor het eerst weer een mis gevierd in de Onze Lieve Vrouwekerk. Het gebouw is sterk verwaarloosd. De kerk is maar voor de helft met banken gemeubileerd. Van ruw hout is een eenvoudig altaar getimmerd.

Voor de begeleiding van de eredienst is een kabinetorgeltje aanwezig. In de daaropvolgende jaren wordt steeds, wanneer de financiën het toelaten, het interieur verbeterd. Het interieur heeft een sober karakter. De ramen in het koor zijn dichtgemetseld. De kerk is wit gekalkt. Het interieur is neoclassicistisch  van stijl.

 

 

 

 

 

Lodewijk Napoleon

 

      

oude sacristie van vóór 1870

classicistisch altaar 1812-1870

                      

In 1853 wordt in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. Mgr. Joannes Zwijsen wordt de eerste bisschop van Utrecht sinds de reformatie. Hij verdeelt Zwolle over twee parochies. In de nieuwe parochie van Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming wordt Henricus van Kessel in 1853 als pastoor aangesteld.

Vele gegevens aangaande de geschiedenis van katholiek Zwolle verzamelt hij en voegt ze samen in zijn handgeschreven Register Memoriale, een document dat zich nu in het Gemeentearchief van Zwolle bevindt.

                                 

Kruiswegstaties geplaatst in 1850 (200x100cm) voor de Onze Lieve Vrouwe kerk. Verkocht in 1872 aan een kerk in Noorwegen. Thans in het Nationaal museum in Bergen (N) 

NEOGOTIEK

In 1866 wordt Otto Anton Spitzen  benoemd als pastoor. Hij heeft grote invloed uitgeoefend op de herinrichting van de kerk in neogotische stijl: de neogotiek.

Geen bouwstijl is zo nauw met de katholieke emancipatie verbonden als de neogotiek    

       

In 1869 verenigden geestelijken, opdrachtgevers, en kunstenaars in Utrecht zich rond kapelaan Gerard van Heukelum en richtten het ‘Bernulphusgilde’ op. Herman Schaepman (de schrijver-staatsman) verwoordt het ideaal van de Utrechtse School als volgt: ‘In de kunst der middeleeuwen speelt de volle christelijke waarheid met schoonheid omkleed; de kunst is dienares geworden van de kerk, zij heeft uit haar hand wet en regelmaat aangenomen’.

Het Bernulphusgilde stelt zich tot doel ‘liefde en beoefening van kerkelijke kunst’ na te streven. Het devies van het gilde isVerum, Pulchrum et Bonum’. (het Ware, het Schone en het Goede).

 Onder Spitzen wordt de kerk uitgebreid met twee zijbeuken en wordt praktisch het gehele interieur, ontworpen door het kunstenaarsatelier Mengelberg, in neogotische stijl ingericht. Nog slechts enkele beelden dateren uit de middeleeuwen. Deze zijn destijds aan de beeldenstorm in de Grote Kerk ontsnapt. In 1871 wordt met de aanbesteding begonnen onder leiding van de bouwkundige S.J.H. Trooster.

Mgr. O.A.Spitzen, pastoor van de O.L.V.kerk van  1866 tot 1889.

 

 

   

De gebrandschilderde ramen

 

In 1870 zijn de dichtgemetselde ramen in het koor weer opengehakt. Glazenier Heinrich Geuer bracht er in de jaren 1871 tot 1873 zijn ramen aan. Helaas waren deze van technisch gezien zo’n slechte kwaliteit, dat het karwei in de jaren 1905-1906 moest worden overgedaan..

Het atelier C. Hertel en Lerch in Düsseldorf verving de ramen in het koor en in de transepten. Het totaal aantal gebrandschilderde ramen in de kerk is negen

 

In 1940 schenkt het college van collectanten de kerk zestien gebrandschilderde ramen, die een plaats krijgen in de twee neogotische zijbeuken. Op acht van deze ramen is een heilige afgebeeld, met daaronder een zaligspreking. In 1975 zijn de zijbeuken afgebroken. De glazen zijn verwijderd en in het raam van de toren herplaatst.

 

RESTAURATIE

In 1975 was de Onze Lieve Vrouwekerk toe aan een grondige opknapbeurt.

Aanvankelijk wilde men zowel exterieur als interieur terugbrengen tot de oorspronkelijke middeleeuwse toestand.

In 1975 werd begonnen met de sloop van de neogotische aanbouw van zijbeuken, repetitielokaal en catechismusgebouw. De sacristie en gerfkamer bleven bewaard.

Op de plaats van het repetitielokaal van het kerkkoor is thans een wit gebouw opgetrokken, dat als vergaderruimte dienst doet en repetitielokaal is voor het zangkoor: het ‘Ceciliagebouw’.

sloop  van de zijbeuken en Catechismusgebouw aan de zuidkant (1975)

Bij de jongste restauratie zijn de hoge ramen in het schip op hun oorspronkelijke lengte gebracht. De oorspronkelijke plaats van de toegangen in de noord- en zuidwand is herontdekt en er zijn weer deuren in aangebracht. Het zijn de toegangen tot de kerk daterend uit de tweede bouwfase van 1452-1454.

Doordat de opvattingen over de neogotische kunststijl halverwege de zeventiger jaren in positieve zin veranderden, is de inrichting uit de tijd van Spitzen bewaard gebleven. In koor en transepten. Als gevolg van de veranderde opvattingen over liturgie sedert het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) is er een nieuw altaar geplaatst, waarbij de voorganger naar de kerkgemeente kijkt. De offertafel staat in de viering, de plaats waar het schip, koor en transepten elkaar kruisen. Een eigentijds eikenhouten koorhek, versierd met briefpanelen, vormt de afscheiding tussen koor en de nieuwe liturgische ruimte.

In 1981 is de restauratie voltooid. De kerk wordt dan op 7 november opnieuw ingewijd door kardinaal Willebrands. Hij wijdt het nieuwe altaar en de twaalf plaatsen, waar de kerkwijdingkruisen in het kerkschip zijn aangebracht. Vanaf dat moment heeft het gebouw officieel de status van kerk gekregen; in de middeleeuwen was het als kapel ingewijd.

 

Vanaf 1984 zijn er nog enkele aanvullende herstelwerkzaamheden verricht in de houten kapconstructie en aan de ramen. In 1999 zijn alle 25 glas-in-loodramen en gebrandschilderde ramen, ofschoon in de jaren 1980-1981 al onder handen genomen, opnieuw gerepareerd en van nieuwe steviger voorzetramen voorzien.

                                        

    gerestaureerd raam met voorzetglas                                  Tom Waterreus – sedes sapientia 

   

Enkele jaren voor deze ingrijpende herstelwerkzaamheden is in de, waarschijnlijk al eeuwen leegstaande buitennis boven de torendeur, een Mariabeeld geplaatst van de Zwolse beeldhouwer Tom Waterreus